Nieuws

In de media

juni 2019

Naast de twee al aangekondigde nieuwsberichten als vervolg op het net afgeronde centrale examen binnen het vo, hierna nog een nieuwsbericht over de eindtoets in het po, die veel in de belangstelling staat en waarover op 21 juni 2019 een kamerbrief van minister Arie Slob is verschenen over de Eindevaluatie Wet eindtoetsing po. Vervolgens nog een bericht van de Marokkaanse overheid die echt werk maakt van het voorkomen van examenfraude; wellicht ook iets voor onze overheid. Tenslotte nog een bericht over het kopen van examenvragen door universitaire studenten die illegaal via Engelstalige uitgeverijen op de markt komen. Hiermee wordt de waarde van een getuigschrift ondergraven.


Korte polemiek over scriptieperikelen

Hierna twee berichten uit de media over scriptieperikelen met aansluitend een reactie van de redactie.

 

Universiteiten, verlos studenten van die onmogelijke scriptie

Uit de Volkskrant van 11 juni 2019; Opinie - Scriptieperikelen
Door Nico Keuning, neerlandicus en gastdocent aan de Hogeschool van Amsterdam

Het ­schrijven van een scriptie is voor de gemiddelde student een onmogelijke taak, aldus Nico Keuning, die vindt dat je een studie ook anders kunt afronden.

Uit het recent verschenen boek Genadezesjes van Eelco Runia, oud-universitair docent Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, blijkt opnieuw de malheur die de scriptie als sluitstuk van een studie met zich meebrengt. De scriptie leidt tot extra werkdruk, frustratie, onnodige kosten en studievertraging.

 

Dat heeft een aantal oorzaken. Op de eerste plaats maakt het ­leren schrijven van een scriptie – een leesbaar, in correct Nederlands of Engels geschreven, gestructureerd en onderbouwd rapport met bronvermelding op ­basis van onderzoek – in het algemeen geen deel uit van het curriculum, zodat de gemiddelde student voor een onmogelijke taak gesteld wordt. Om het stuwmeer aan ‘kansloze gevalletjes’ weg te laten stromen, worden al jaren scriptiezesjes geschonken, of -zevens, om de twijfelgevallen uit handen van de accreditatiecommissie te houden. Er wordt in het hbo en aan universiteiten van alles gedaan om te cashen. Denk aan de Inholland-affaire in Haarlem ruim vijf jaar terug, waar een ­docent studenten met een onvoldoende voor hun scriptie via de ‘Theo-route’ alsnog aan een ­diploma hielp.

 

Studievertraging
Een ander probleem is dat een deel van de scriptiedocenten niet in staat is een omvangrijke scriptie van vijftig pagina’s in het Engels of Nederlands op taal, inhoud en structuur te begeleiden en te beoordelen. De student is hiervan de dupe, want loopt studievertraging op, waardoor de studieschuld toeneemt. De student doet vergeefs een beroep op de docent voor een voortgangsgesprek, hoopt vergeefs op gericht advies, zit soms klem tussen de opdrachtgever van het onderzoek, de vakdocent en de scriptiebegeleider.

 

Als afronding van een minor voor vierdejaars hbo-studenten kozen wij er als docententeam voor het semester – na beoordeling van tussentijdse opdrachten van de studenten – af te ronden met een debat. Tijdens het debat van een half uur konden studenten hun kennis van een half jaar studie over een specifiek onderwerp etaleren. Een debat met ­regels: stelling, argumentatie en onderbouwing binnen een structuur van opzet- en verweerbeurten en interrupties. De jury bestond uit drie leden: iemand uit de beroepspraktijk, een docent en de opleidingsmanager. De studenten debatteerden in duo’s tegen elkaar. Elke student werd individueel beoordeeld. Na drie dagen debatteren kregen zestig tot zeventig studenten hun eindcijfer. Wie een onvoldoende had, kon een week later herkansen.

 

Ook voor een presentatie kan een goed format gemaakt worden, zodat de studenten adequaat worden beoordeeld. De student kan zelf kiezen: een scriptie schrijven of een presentatie geven. Naar verwachting kiezen de meeste studenten voor de presentatie. Dat belooft minder werkdruk, minder frustratie, minder studievertraging, minder onderwijsgeld en een lagere studieschuld. En: geen genadezesjes meer.

 

Te zot voor woorden

Uit het Blogcollectief onderzoek onderwijs
Door Paul Kirschner als vervolg op de opinie van Nico Keuning zoals hiervoor weergegeven.

 

Vanochtend (12 juni) las ik in de Volkskrant een opiniestuk van dhr. Nico Keuning (neerlandicus en gastdocent aan de Hogeschool van Amsterdam) met de titel “Universiteiten, verlos studenten van die onmogelijke scriptie”. Ik kon eerlijk gezegd mijn ogen niet geloven. Hij stelt: “Op de eerste plaats maakt het ¬leren schrijven van een scriptie – een leesbaar, in correct Nederlands of Engels geschreven, gestructureerd en onderbouwd rapport met bronvermelding op ¬basis van onderzoek – in het algemeen geen deel uit van het curriculum, zodat de gemiddelde student voor een onmogelijke taak gesteld wordt.” Pardon? Een universitaire opleiding is een academische opleiding en je schriftelijk kunnen uitdrukken in fatsoenlijk Nederlands of Engels (afhankelijk van de studie) lijkt mij zonder meer een deel van de kwalificatie van een mastertitel. Dit geldt ook voor voormalige hogescholen die tegenwoordig ‘universities of applied science’ heten. Een scriptie (ik spreek zelf liever van een masterthesis) is een proeve van bekwaamheid voor het afstuderen en moet ook zo gezien worden. Als, zoals de heer Keuning stelt, een scriptie “de gemiddelde student voor een onmogelijke taak” stelt, dan is mijn repliek simpel. Blijkbaar is het niveau van de gemiddelde student niet academisch, c.q. universiteitswaardig, en hoort zij/hij niet op het ho te zitten. Ik ga er ook van uit dat het onderwijs dat toegang biedt naar het ho (dus havo, mbo en vwo) hun afgestudeerden hebben leren schrijven. Als dit niet het geval is dan zie ik zijn uitspraak enerzijds als een aanklacht tegen het vwo en mbo dat ze daar hun leerlingen (havo, vwo) en studenten (mbo) niet voldoende hebben leren schrijven of anderzijds als een stevig argument voor het invoeren van een toelatingstoets voor het ho. Tot slot is het ook een aanklacht tegen de opleidingen zelf. Als studenten niet opgewassen zijn tegen de taak om eens scriptie te schrijven, heeft de opleiding ook gefaald. Dat is geen reden om de scriptie af te schaffen, maar een teken dat de opleiding zijn werk beter moet doen.

 

Een tweede argument van de heer Keuning is “dat een deel van de scriptiedocenten niet in staat is een omvangrijke scriptie van vijftig pagina’s in het Engels of Nederlands op taal, inhoud en structuur te begeleiden en te beoordelen.” Hier heb ik twee antwoorden. Ten eerste, als dit het geval is horen die docenten niet in het ho te werken. Ten tweede, men moet studenten dan niet zulke ellenlange scripties laten schrijven. Ik eis van mijn scriptiestudenten dat zij een scriptie schrijven in de vorm van een artikel en dat zij zich houden aan de vorm en eisen van het tijdschrift dat zij voor ogen hebben. Als het tijdschrift artikelen van 3000 woorden accepteert, dan is de scriptie niet meer dan 3000 woorden. Als het tijdschrift 8000 woorden toelaat, dan is 8000 woorden het maximum. Het is makkelijker om 50 pagina’s te schrijven dan 10! Goethe begreep het toen hij zei: “In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister” (“In de beperking toont zich pas (voor de eerste keer) de meester”). De echte meester (en het gaat hier over een masterthesis en een mastertitel) is in staat om het kort en krachtig te zeggen.

 

Hij stelt voor om in plaats van een scriptie een debat van een half uur te organiseren waar de studenten hun kennis van een half jaar studie over een specifiek onderwerp kan etaleren. Ik vind een debat organiseren zeer interessant en ook zeer de moeite waard, maar ik denk niet dat in een debat een student goed kan laten zien welke theoretische kennis zij/hij heeft of haar/zijn onderzoeksvaardigheden kan etaleren. En hoe beoordeel je dat op een manier die betrouwbaar en valide is?. Tot slot, ik denk dat als de gemiddelde student niet geleerd heeft om fatsoenlijk te schrijven, dat zij/hij ook niet geleerd heeft om fatsoenlijk te debatteren. Ik vrees dat zoals de heer Keuning stelt over schrijven van een scriptie dat debatteren “in het algemeen geen deel uit[maakt] van het curriculum”.

Een fatsoenlijke scriptie a.u.b. en geen genadedebatjes.

Noot: Bedankt Jeroen Janssen voor het lezen, verbeteren, en geven van nuttige toevoegingen op mijn concepttekst!

 

Reactie vanuit de redactie van de E-Nieuwsbrief

Enkele jaren geleden kreeg ik een telefoontje van een docent van een private hogeschool die met de handen in haar haar zat over de slechte kwaliteit van de scripties die werden gemaakt. Niet zozeer op inhoudelijk slecht, maar wel qua structuur (vooral), zakelijke schrijfstijl, grammatica, spelling en dergelijke. Eigenlijk konden ze geen voldoendes geven door de slecht geschreven scripties; niet hbo-waardig. Ik vroeg toen twee dingen: (1) wat zijn de beoordelingscriteria en staat daar iets over wat hiervoor staat opgesomd, en (2) wat hebben jullie in je curriculum gedaan om de studenten leren scripties te schrijven of in het algemeen, goed te leren schrijven. Het enige wat ze zei was: ‘Ik snap wat je bedoelt, het ligt dus eigenlijk aan ons onderwijs, wij hebben wat vergeten op te nemen in het curriculum’. En zo is het.


In de leeruitkomsten en leerdoelen (verbijzonderde leeruitkomsten) ligt vooraf al min of meer besloten over welke bekwaamheden de studenten aan het einde van hun opleiding dienen te beschikken, op welk niveau en hoe dat uiteindelijk beoordeeld wordt. Zo zal een scriptie voor een hbo-student fysiotherapie een minder passende beoordelingsvorm zijn dan voor een hbo-student rechten of een universitaire student. Maar als het opleveren van een scriptie tot het beoordelingsinstrumentarium behoort, zou het kunnen schrijven van bijvoorbeeld een artikel, een rapport of het uitvoeren van een onderzoek met verslaggelling ervan, tot het curriculum moeten behoren. Zo niet, beoordeel de student dan niet op wat hij blijkbaar geen leeruitkomst was. Overigens mag je ook van een student fysiotherapie verwachten dat hij een fatsoenlijk hbo-waardig verslag kan schrijven, maar benoem dat dan ook en leer ze het.

 

‘Moet het centraal examen worden afgeschaft?

Uit de Telegraaf van 15 juni 2019
Voor de leesbaarheid is het onderstaande van een korte inleiding voorzien en qua structuur aangepast.

 

In ‘De Kwestie’, een rubriek in de Telegraaf, worden een voor- en een tegenstander van een actueel thema aan het woord gelaten. Op 15 juni 2019 betrof ‘De Kwestie’ ‘Moet het centraal examen worden afgeschaft? De inleiding bestond uit de volgende tekst.


Nu de vlaggen met schooltassen de straten sieren en de gezakten ’stampen’ voor de herexamens die na dit weekend beginnen, woedt in het onderwijs de discussie over het nut en de noodzaak van het centraal examen.

 

Aan het woord kwamen Ben Wilbrink (psycholoog en onderwijsonderzoeker) en Arjan van der Meij (docent natuurkunde op De Populier in Den Haag). Twee vakmensen uit het onderwijs met ieder een andere opvatting over het centraal examen.

 

De kop boven de visie van Ben Wilbrink was: ‘Geef eindexamen een ceremonieel karakter’. De kop boven de visie van Arjan van der Meij was ‘Lat nu voor iedereen op dezelfde hoogte’.

 

Met tot slot een reactie van de redactie.

 

Geef eindexamen een ceremonieel karakter door Ben Wilbrink

Onderwijsminister Arie Slob heeft heel wat te stellen met eindexamens, maar ik hoor bij hem geen twijfel over nut en noodzaak van die examens.

 

Toch is er wel reden voor twijfel; het is immers altijd wat, met die examens. En het wordt er de laatste jaren beslist niet beter op. Het is nu al zo ver dat een leerling bij wie een goed antwoord fout gerekend moest worden (dat leest u goed!), dat maar niet behoorlijk gecorrigeerd krijgt: de Hoge Raad mag het nu gaan oplossen.

Ik stel voor dat we de gekkigheid en de bureaucratie achter ons laten, en van onze examens meer een afsluitend feest maken, een ceremonieel eindexamen. Kennen we dat ergens van? Jawel: het belangrijkste examen in ons onderwijsstelsel is de universitaire promotie. De kandidaat verdedigt het proefschrift waaraan jaren is gewerkt onder supervisie van zijn professor (promotor). Die promotie is ceremonieel, want de kandidaat slaagt altijd. En dat is geregeld door een commissie die enige tijd tevoren heeft beoordeeld of het proefschrift voldoet aan de eisen; zo nee, dan komt er geen promotie.

 

Dit is een manier van examineren die zo weggelopen kan zijn uit de middeleeuwen. In die tijd studeerde je bij een eigen meester; vond hij dat je klaar was voor het examen, dan werd het examen afgenomen door ándere meesters. Het was een feestelijke gebeurtenis, en ook spannend, want het was een publiek optreden. Zakken voor een examen kon eigenlijk alleen maar bij openbare dronkenschap of ander gedrag dat niet door de fatsoensbeugel kon.

 

"Universitaire promotie kan als voorbeeld dienen"
Dus waarom vernieuwen we onze examens niet? Een kleine eerste stap, bij wijze van spreken vandaag nog te regelen door minister en Tweede Kamer: alles blijft hetzelfde, maar voor een eindexamen kun je niet meer zakken. Is dat vreemd? Nee, jarenlang was een rekentoets onderdeel van de examens, als derde wiel aan de wagen, maar je kon er niet op zakken; je kreeg er een cijfer voor op je eindlijst, of op een aparte lijst (de politiek heeft voor ieder probleempje een oplossing). Wat hebben we dan: een eindexamen dat een cijferlijst oplevert, en die hadden we al. Enkele kandidaten zullen lage cijfers halen, dat is dan zo. Geef kandidaten gewoon de keuze om dit examen niet te accepteren en het volgend jaar nogmaals te doen. Of staatsexamen te doen.

 

Nu de druk van de ketel is, kan iedereen zich vrij voelen om ook verder de bureaucratie uit de examens te halen. Cijfers voor een examen zijn momentopnamen, weliswaar niet zomaar een moment, want afsluitend voor een hele opleiding, maar toch.

 

Geef de lerarenvergadering de bevoegdheid om negatief afwijkende cijfers te corrigeren op basis van resultaten in de laatste jaren behaald. Geef leraren geleidelijk meer taken en bevoegdheden bij de examens, en verminder die van landelijke instellingen zoals het Cito en het College voor Examens. Het vak van leraar mag best aantrekkelijker worden gemaakt. Geef die bevoegde leraar meer verantwoordelijkheid.

 

Dat een ’vrijer’ eindexamen talrijke voordelen heeft, hoef ik hier niet uit te leggen. Maar hoe zit het met de nadelen? Kunnen we het niveau van het onderwijs dan nog wel bewaken? Laat ik een tegenvraag stellen. Is het ons de laatste tientallen jaren gelukt het niveau van het onderwijs vast te houden?

 

Nou? Wie het weet, mag het zeggen. Ik ben benieuwd.

 

Lat nu voor iedereen op dezelfde hoogte door Arjan van der Meij

Die gaat dat examen echt nooit halen. Dat weet ik gewoon zeker. Ze heeft nooit een voldoende gehaald, snapt mijn vragen niet eens.” De conrector had mij, haar leraar natuurkunde, gevraagd naar de kansen van deze leerling uit havo 4.
 

De landelijke examens bestaan bijna honderd jaar. De meesten onder ons zullen het zelf ook hebben gedaan. Een tijd vol tradities. Zenuwachtige leerlingen, klachten bij het LAKS en kwijtgeraakte examens. En als de uitslag daar is, feestende leerlingen en wapperende vlaggen met een tas eraan. Maar er zijn ook leerlingen die lijden onder de examenstress, die zelfs zakken en een jaar over moeten doen. En daarom is het niet zo gek dat we onszelf weleens de vraag stellen of dat allemaal wel zo moet. Kunnen we het centraal examen niet gewoon afschaffen? Wij leraren weten toch heus wel of iemand de stof beheerst? Mijn stelling is echter: we moeten het centraal examen koesteren.
 

De middelbare school is nooit het eindpunt maar leidt op voor de vervolgopleidingen. En deze opleidingen moeten erop kunnen vertrouwen dat de leerlingen die wij naar hen toe sturen, een bepaald niveau hebben. Het centraal landelijk eindexamen is daar een uitmuntend instrument voor. Het eindniveau dat moet worden gehaald is voor elke schoolsoort (vmbo, havo en vwo) helder vastgesteld in samenspraak met de vervolgopleidingen. Met deze zogenoemde eindtermen gaat een groep docenten onder leiding van enkele experts aan het werk en maakt een examen.

 

"Ze krijgen een zeer betrouwbaar startbewijs mee"

 

Op die examens is best wel eens wat aan te merken, maar feit blijft dat elke leerling precies dezelfde toets maakt op precies hetzelfde moment in min of meer dezelfde omstandigheden (een licht stinkende gymzaal). Waar zij of hij ook vandaan komt, welke kleur een leerling ook heeft, of pa nou in een grote of een kleine kar rijdt, het examen is hetzelfde. De lat ligt voor elke leerling op dezelfde hoogte. De leerlingen krijgen door deze loepzuivere landelijke benchmark dus een zeer betrouwbaar startbewijs mee.

 

Zou je dit loslaten dan gaan de vervolgopleidingen onmiddellijk eigen toelatingsexamens maken. Bij de studies die nu al toelatingsexamens kennen, zoals geneeskunde, leiden die direct tot ongelijkheid. Als je arts wilt worden, helpt het om rijke ouders te hebben.

 

We hebben in Nederland, veel meer dan in andere landen, een enorme diversiteit aan schoolsoorten, van extreem traditionele tot iPad-scholen. Het centraal examen is dan ook een geweldige manier om elk jaar te zien of de kwaliteit overal voldoende is. En laten we eerlijk zijn, we hebben de laatste jaren ook te veel voorbeelden gezien van leraren en scholen die – onder druk van tegenvallende prestaties – over de grens gingen bij het helpen van hun leerlingen. Scholen willen graag mooie resultaten laten zien en leraren willen niet verantwoordelijk zijn voor veel zakkers. Het centraal eindexamen is genadeloos en geeft weinig ruimte tot oppoetsen van de resultaten.

 

Als laatste, de examentijd is een prachtige tijd, een inwijdingsritueel. Samen tegelijkertijd dat monster bevechten geeft een geweldig gevoel van saamhorigheid. En daar word je een groter mens van.

 

En dat meisje waarover ik zei dat ze het echt nooit zou halen? Dat meisje ging over, slaagde glorierijk voor haar examen zonder onvoldoendes en is daarna zonder vertraging verpleegkundige geworden. Ik had ongelijk. En ik ben blij dat ik werd gecorrigeerd. Leve het eindexamen!

 

Reactie vanuit de redactie van de E-Nieuwsbrief

Voor beide meningen is wat te zeggen.

 

De mening van Ben Wilbrink zie je nu terug binnen ontwikkelingsgericht leren en toetsen. De echte en goede meester weet wanneer zijn leerling het juiste bekwaamheidsniveau heeft bereikt. Zo’n meester is immers zelf de norm, en vaak samen met andere vergelijkbare meesters. De meester baseert zijn bevindingen op verschillende informele beoordelings­momenten (datapunten). Eigenlijk zoals dat nu ook gebeurt bij zwemlessen en het afzwemmen voor het zwemdiploma (zie column Saskia Wools: Wat we kunnen leren van diplomazwemmen in Examens 2017-2). Afzwemmen is ook een feestje waar oom en tantes en opa en oma naar komen kijken. Vaak is tijd de factor die bij dit alles flexibel is. Een zwemmertje dat nog niet klaar is voor het zwemdiploma, zwemt later af. Door het kleinschalige karakter van de zwemles en ook bij de promotie is daardoor hét ceremoniële moment goed te organiseren. Maar zo’n ceremonieel moment bij meer dan 200.000 eindexamenkandidaten wordt wat lastig, hoewel de essentie van wat Ben Wilbrink voorstelt wel interessant is. Uiteindelijk laat de student met het ceremoniële eindexamen zelf zien hoe goed hij echt is en dat zegt veel over de student.

 

De mening van Arjan van de Meij, zie je terug bij het ‘schotschrift’ Vijven en zessen uit 1966 van Adriaan de Groot waarin hij zich fel keerde tegen de subjectieve beoordelingssystematiek dat het onderwijs toentertijd hanteerde, waarbij kinderen van notabelen meer kansen kregen dan kinderen uit arme gezinnen. Het was de basis van de meerkeuzetoets met een objectieve beoordeling. Het centraal examen legt de lat voor alle leerlingen binnen een onderwijssector even hoog en maakt de kans kleiner dat elke vervolgopleiding aan de poort een eigen toelatingsexamen gaat houden. Dé meester die bepaalde wanneer de leerling klaar was voor de succesvolle ceremonie, is er niet meer. De meester is vervangen door een systeem waar binnen een bepaalde tijdspanne moet worden gepresteerd. Zo niet dan stroomt de leerling al snel af, anders past hij niet meer in het systeem. Dat er een vast moment is dat de leerling ‘de maat’ wordt genomen, is onderdeel van het systeem. Het is een systeem dat kan werken bij meer dan 200.000 leerlingen per jaar. Maar ook het eindexamen is een ceremonie. De ceremonie om met elkaar en hoe dan ook het examen te halen, je te dwingen te studeren als overgang van leerling naar student en naar een geheel nieuwe levensfase.

Dat dit ene datapunt zo enorm belangrijk is, maakt het systeem kwetsbaar door de beslissing van zakken of slagen van dat ene moment zo afhankelijk te maken. Maar wie herinnert zich niet zijn eigen examentijd? Stress, drukte, onzekerheid en moe tot op het bot en de opluchting erna dat het gelukt was. Hoort dit ook niet een beetje gewoon bij het leven; leren doorzetten en ergens echt voor gaan?

 

Maar is het middelbare onderwijs niet al begonnen met wat Ben Wilbrink voorstaat te combineren met waar Arjan van der Meij enthousiast over is. Ontwikkelingsgericht leren en toetsen kan ervoor zorgen dat elke leerling vooraf weet dat hij het centrale examen zo goed als zeker zal gaan halen. Leraren worden weer meesters die niet meer voor de klas staan, maar erin en hun leerlingen gidsen naar de gewenste bekwaamheden. Het centrale examen wordt afzwemmen; twee ceremonies, die van Ben Wilbrink en die van Arjan van der Meij.

 

 

 

Kamerbrief Eindevaluatie Wet eindtoetsing po

van de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media, Arie Slob

 

Over de eindtoets is veel te doen. Op 21 juni 2019 is de Kamerbrief over de Eindevaluatie Wet eindtoetsing po naar de Tweede kamer gestuurd. De eindtoets is verplicht geworden, het schooladvies is leidend en de markt voor het aanbieden van eindtoetsen is open. Daarnaast is het de wens van minister Arie Slob is dat de eindtoets de doorstroomtoets wordt. Hierna treft u de inleiding van de betreffende kamerbrief aan. Via de link onderaan de inleiding kunt u het vervolg van de brief raadplegen.

 

Met deze brief zend ik u de beleidsreactie op de eindevaluatie van de Wet eindtoetsing po.1 Deze wijzigingswet is in schooljaar 2014-2015 in werking getreden. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Kamer is toegezegd de wet na vier jaar te evalueren. Inmiddels hebben vier cohorten leerlingen de overgang van het primair (verder: po) naar het voortgezet onderwijs (verder: vo) gemaakt onder de nieuwe regelgeving.

 

Met ingang van deze wet zijn drie belangrijke zaken veranderd. Allereerst is de eindtoets verplicht geworden. Ten tweede is het schooladvies leidend geworden bij de overgang naar het voortgezet onderwijs. Mede daarom is de afname van de eindtoets verschoven naar de periode april/mei waardoor de toets pas na het schooladvies wordt afgenomen. Ten derde is de markt voor eindtoetsen gestimuleerd. Naast een door de overheid aangeboden toets kunnen scholen ook een toegelaten toets van een andere partij kiezen.

 

Het evaluatierapport van onderzoeksbureau Oberon is inmiddels opgeleverd en stuur ik mee met deze brief.2 In paragraaf 1 van deze brief ga ik nader op dat onderzoek in. Hierbij worden ook andere recent uitgevoerde onderzoeken naar dit onderwerp in kaart gebracht.

 

In paragraaf 2 ga ik in op de overgang van po naar vo en de rol van de eindtoets daarin. De kwaliteit van de schooladviezen ontwikkelt zich positief en dat verheugt mij. Ik heb vertrouwen in de professionaliteit van de leerkrachten als het gaat om de schooladvisering. Het advies van de school wil ik leidend laten in de overgang naar het vo. De eindtoets wordt dan nog steeds afgenomen na het voorlopige schooladvies. Wel wordt door enkele aanpassingen een aantal knelpunten in het huidige stelsel opgelost.

 

Paragraaf 3 beschrijft de stappen die de inspectie zet om het toezicht te vernieuwen. Zowel het nieuwe onderzoekskader (sinds augustus 2017) als het nieuwe onderwijsresultatenmodel (vanaf schooljaar 2019-2020) verminderen de nadruk op eindtoetsresultaten in het toezicht. Hierdoor komen de verschillende doelen van de eindtoets beter in balans. Scholen die al onder deze nieuwe kaders zijn beoordeeld zijn positief over de nieuwe werkwijze.

 

In paragraaf 4 ga ik in op de keuzevrijheid en de manier waarop ik de kwaliteit van de verschillende eindtoetsen wil waarborgen. Er zijn de afgelopen jaren verschillende eindtoetsen bijgekomen en er zijn maatregelen genomen om de kwaliteit en vergelijkbaarheid van deze toetsen te kunnen garanderen. Nu, na enkele jaren ervaring te hebben opgedaan met private eindtoetsaanbieders, is het moment aangebroken om de verantwoordelijkheid van de overheid als het gaat om de eindtoetsen te wijzigen. De urgentie om als overheid zelf een eindtoets aan te bieden is afgenomen, terwijl de vraag om centrale aansturing op de kwaliteit toeneemt. In deze paragraaf is een voorstel uitgewerkt waarin alleen private partijen nog toetsen aanbieden. Het College voor Toetsen en Examens (CvTE) gaat fungeren als toezichthouder op de kwaliteit, waarbij wordt zorggedragen voor het behoud van opgedane kennis. Het incident met de onjuiste toetsadviezen toont ook aan dat het nodig is dit kwetsbare stelsel steviger in te richten.

 

Paragraaf 5 sluit af met mijn visie op de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs. Op het gebied van kansengelijkheid blijft er namelijk werk aan de winkel. Kijkend naar de schooladviezen en de eindtoets zien we sinds de wetswijziging een kleine vooruitgang op dit punt. Echter, om werkelijk gelijke kansen te bieden, is veel meer nodig dan aanpassing in regelgeving rond de eindtoets en het schooladvies. Ik vind het belangrijk dat de overgang van po naar vo niet de verdere schoolloopbaan van leerlingen bepaalt. Leerlingen blijven zich immers voortdurend ontwikkelen, waar de school op in moet spelen.

 

Mijn gewenste beeld is dat de eindtoets de doorstroomtoets wordt. De toets wordt minder bepalend voor de vervolgschoolloopbaan van leerlingen, waardoor er minder druk op komt. Als sluitstuk van de leerlingvolgsysteemtoetsen (verder: LVS-toetsen) geeft de doorstroomtoets aan het einde van groep 8 weer waar een leerling staat op het gebied van taal en rekenen. Mede op grond daarvan bepaalt de basisschool het instroomniveau in het vo. Maar in de eerste of tweede klas van het vo kan opnieuw worden bepaald waar de leerling staat en of de leerling op de juiste plek zit. Dat heeft de potentie om echt bij te dragen aan kansengelijkheid.

 

 

Marokkaanse overheid pakt examenfraude pro-actief aan.

Ook niet iets voor onze overheid?

 

Van: https://nieuws.marokko.nl/57628/dgsn-arresteert-6-verdachten-voor-poging-tot-examenfraude/

 

DGSN arresteert 6 verdachten voor poging tot examenfraude

BUITENLAND 6 JUN 19:16 (Marokko, redactie)

 

Een paar dagen voor het nationaal baccalaureaatexamen heeft DGSN zes personen gearresteerd in Agadir, Casablanca en Marrakech. De autoriteiten hebben meerdere geavanceerde elektronische apparaten in beslag genomen. De gadgets zouden worden gebruikt om onderling te communiceren tijdens de examens. Volgens Hespress had een student aan de universiteit van Agadir tijdens de arrestatie 14 van deze elektronische apparaten, 31 draadloze oortelefoons en zes reguliere oortelefoons bij zich.

 

Een jaar geleden kondigde Mustapha El Khalfi, de woordvoerder van de regering, de inwerkingtreding van zes anti-fraude maatregelen. Eén van deze maatregelen betreft het in leven roepen van regionale anti-fraude eenheden die zijn uitgerust met middelen om elektronische zendapparaten, inclusief mobiele telefoons, te detecteren.

 

 

Studenten kopen toetsvragen die ook in tentamens zitten

 

Van: Gaalen en Cyril Rosman 25-06-19; via https://www.ad.nl/binnenland/studenten-kopen-toetsvragen-die-ook-in-tentamens-zitten~af5152c5/

 

De bestanden met honderden toetsvragen worden onderling verhandeld via app- en facebookgroepen of verkocht via websites als Stuvia, waarop studenten ook samenvattingen van boeken aanbieden. Na vragen van deze krant heeft Stuvia direct de bestanden verwijderd. “Dit mag niet verhandeld worden via ons”, aldus een woordvoerder.

 

“Dit willen we niet, het is een ongewenste situatie”, stelt de Universiteit van Amsterdam (UvA), waar vorig jaar studenten voorkennis bleken te hebben over een tentamen. De Amerikaanse asisstent-professor Christine Cheng, die het probleem in de VS onderzocht, stelt dat dit soort voorkennis de waarde van het diploma ondergraaft.

 

Grote Engelstalige uitgeverijen leveren bij hun universitaire lesmethodes behalve studieboeken ook zogenoemde testbanks, dat zijn lange lijsten met vragen en antwoorden die de docenten kunnen gebruiken als oefenmateriaal óf als echte tentamen- en examenvragen. Die testbanks zijn uitsluitend bedoeld voor docenten, zo vermelden de uitgevers. “Voorkom dat studenten uw account gebruiken”, staat erbij.

 

Illegaal

De online bestanden zijn echter, illegaal, ook tegen betaling verkrijgbaar voor studenten. Op zeker twee Nederlandse websites die samenvattingen van Engelstalige studieboeken verkopen, worden ook testbanks aangeboden. De studenten die die bestanden hebben geüpload vermelden daar expliciet bij dat ze handig zijn ‘want de vragen komen vaak terug in examens’. Het gaat daarbij om verschillende boeken van veelal economische studies aan diverse universiteiten.

 

Ook in whatsapp- en facebookgroepen van studenten worden gretig links naar dergelijke testbanks gedeeld. Deze krant heeft daar screenshots van gezien. Soms kopen studenten ze samen aan om de kosten te delen.

 

“Het is sowieso niet de bedoeling dat docenten de vragen uit de testbanks gebruiken voor tentamens en examens, ze moeten die vooral zien als inspiratie”
Woordvoerder, Universiteit van Amsterdam

Op de UvA kwam een docent er vorig jaar tijdens het samenstellen van een tentamen Business Research Management achter dat studenten massaal over de testbank voor het vak beschikten. “Dat willen we niet, het is ongewenst. We hebben het breed onder de aandacht gebracht van ons personeel. Het is sowieso niet de bedoeling dat docenten de vragen uit de testbanks gebruiken voor tentamens en examens, ze moeten die vooral zien als inspiratie”, stelt een woordvoerder. De docent heeft daarop het tentamen veranderd.

Een bron aan de universiteit stelt echter dat dergelijke vragen nog steeds worden gebruikt. Doorgaans gebeurt dat bij multiple choice-examens. Bij het tentamen in kwestie werd opvallend hoog gescoord, meldt de bron.