Nieuws

Polemiek over het bindend studieadvies

In de media is een polemiek ontstaan over het voornemen van minister Van Engelshoven (Onderwijs) om het bindend studieadvies (BSA) vanaf 2020 minder streng te maken. In ‘Examens’ is verschillende keren aan het BSA aandacht besteed 2012-4, De invoering van het Bindend Studieadvies; 2016-1, Examencommissie; 2017-4 Persoonlijke omstandigheden en het BAS-besluit (Bindend Afwijzend Studieadvies); 2017-3, Over het werk van prof. dr. Janke Cohen-Schotanus.

Janke Cohen-Schotanus heeft zich veel beziggehouden met studierendement en haar Inaugurale oratie had als titel ‘Tegenintuïtief’. Tegenintuïtief is bijvoorbeeld het bieden van veel herkansingen. Dat lijkt studentgericht, maar het leidt juist tot uitstelgedrag en lagere studierendementen. In het artikel over haar werk zegt ze het volgende over het BSA:
 

“Ik ben blij dat duidelijk wordt dat de BSA-truc, door het BSA te koppelen aan een tweejarige propedeuse, niet meer mag. Maar afgezien van de formele regel waarom aan het einde van het eerste jaar de vastgestelde studiepunten moeten zijn behaald, zie ik het als volgt. Studenten stellen aan het begin de opleiding drie vragen: ‘Wanneer is de toets?’, Wat moet ik ervoor doen?’ en ‘Wat als ik zak?’. Vervolgens gedragen ze zich als een homo economicus en beginnen ze zo laat mogelijk met studeren en doen ze het minimale om net te slagen voor de toets. Er moet immers ook nog tijd besteed worden aan sport, een vriend of vriendin, een bijbaantje en het studentenleven. Bovendien hebben ze van elkaar, en soms zelfs van docenten, gehoord dat nominaal studeren niet hoeft, veel herkansingen mogelijk zijn en dat in plaats van 60 studiepunten, voor het BSA, bijvoorbeeld 48 studiepunten in het eerste jaar voldoende zijn. Dus …, studenten richten zich daarop. Veel herkansen en studievertragingzijn het gevolg en worden normaal gevonden. Ik stel het zwart-wit, maar dit is wel de essentie bij met name slecht presterende studenten.
 

Het BSA is ingevoerd om deze slecht presterende studenten zo vroeg mogelijk uit te laten stromen. Dit voorkomt dat deze studenten te lang ‘doormodderen’ en twee jaar studiefinanciering en studietijd kwijt zijn. Opleidingen zijn erop gericht om normale studenten nominaal te laten doorstromen. Het BSA moet daarom gericht zijn op het halen van de vastgelegde studiepunten in het eerste inschrijvingsjaar. Als studenten weten dat ze met 48 punten ook doorkunnen naar het tweede jaar halen ze dus ook 48 studiepunten. Studenten passen hun studiegedrag aan, aan wat minimaal noodzakelijk is. Als echter duidelijk wordt gemaakt dat de student alleen door kan als hij 60 studiepunten haalt, dan blijkt uit onderzoek dat de student die 60 studiepunten gewoon haalt.
 

De antwoorden op de drie vragen van de studenten moeten dan ook luiden: ‘De toets is al binnenkort, dus uitstellen van het leren is geen optie meer’; ‘Alles wordt getoetst en je moet hard gaan studeren, anders red je het niet’ en ‘Als je zakt heb je een groot probleem, want je kunt pas in de zomer herkansen, dus zorg er maar voor dat je in een keer slaagt’. Het beleid van de opleiding dient niet gericht te zijn op de falende zwakke student, maar op de nominale student. De organisatie van het onderwijs dient dan als volgt gericht te zijn. Bij de studentvraag ‘Wanneer is de toets?’ gaat het om programmering, bij ‘Wat moet ik ervoor doen?’ gaat het om de inhoud en bij ’Wat als ik zak?’ gaat het om regelgeving. Dit dient concreet en transparant te zijn en gewoon toegepast te worden. Dat de ruimte om het BSA op te rekken naar twee jaar aan banden wordt gelegd vind ik een goede zaak. Maar nog belangrijker vind ik dat de programmering en regelgeving de student stimuleert tot studeren.”
 

Dat nu een polemiek is ontstaan over het BSA komt vooral doordat het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) heeft vastgesteld dat studenten veel stress ervaren (rapport Volksgezondheid Toekomstverkenning 2018). Univers (2018) zegt hierover: Dit heeft niet alleen te maken met de prestatiedruk die studenten in de collegebanken ervaren. Die is volgens het RIVM toegenomen door de afschaffing van de studiefinanciering en de nadruk op goede resultaten en een goed curriculum vitae. Een gevolg hiervan is dat jongeren vaker naar middelen grijpen die de kans op (studie)succes vergroten, zoals ADHD-medicijnen. Ook buiten de collegebanken nemen de stressfactoren toe. Het RIVM wijst bijvoorbeeld sociale media aan als een stressfactor. In sommige gevallen zijn die zelfs de oorzaak van depressies en slaapproblemen.
 

Ook de Volkskrant kopt na eigen onderzoek bij verschillende studentenhuisartsen op 18 augustus 2018 met ‘Studenten bezwijken psychisch onder prestatiedruk: De psychologen zijn niet aan te slepen’.

De minister wil de druk voor studenten verlagen door het aantal studiepunten voor het BSA te verlagen naar 40 punten voor alle opleidingen, zodat ze niet meer ‘onnodig struikelen’ zoals ze zei in haar toespraak bij de opening van het nieuwe studiejaar in Tilburg op 3 september 2018.

In de column van oud-minister en voormalig VVD-politicus in de Telegraaf van 20 oktober 2018 haalt hij voormalig rector magnificus van de universiteit Utrecht aan die zegt dat het BSA een van de meest succesvolle maatregelen is geweest die afgelopen decennia is genomen om zowel de kwaliteit van het onderwijs te verhogen als de groeiende studentenstromen te beheersen. Sander van Walsum schrijft in de Volkskrant van 4 september 2018 dat de huidige prestatienorm in internationaal perspectief nog uiterst mild is. ‘Studenten krijgen bij het verlagen van de norm later alsnog het lid op de neus’.

Pieter Duisenberg voorzitter van de VSNU zegt in de Telegraaf van 4 september 2018 dat de universiteiten overrompeld zijn en het een onverstandig idee vinden. Ook Thom de Graaf, voorzitter van de Vereniging Hogescholen was overrompeld.

Studentenbonden zoals LSVb en ISO protesteren al geruime tijd tegen de druk waarmee studenten kampen en zijn juist blij met het voornemen van de minister en willen het BSA graag in het geheel van tafel hebben.
 

Op 15 en 16 oktober 2018 stond de media vol met artikelen over een actie van de universiteitsbibliotheek aan de Singel in Amsterdam over de inzet van knuffelpuppy’s tegen examenstress bij studenten van de universiteit van Amsterdam. Die mogen dan maximaal een kwartiertje knuffelen met puppy’s. Ze volgen hiermee universiteiten in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk waar het studenten zou helpen. Bij de Nottingham Trent University doen ze dit met biggetjes (Metro, 14 september 2018).
 

Het lijkt erop dat studenten meer gepamperd moeten worden. Marcel Peereboom Voller sluit zijn column in de Telegraaf op woensdag 24 oktober af met het volgende. ‘Tip voor de toekomstige werkgever: leg de luierbroekjes maar vast klaar voor uw gepamperde jonge werknemers en hopelijk hebben ze nog tijd om te werken nadat ze ontstrest zijn geraakt door onder werktijd even te wandelen met een alpaca, muziek te luisteren, aan yoga te doen en dergelijke’.
 

Het BSA heeft nu al voorzieningen voor ‘onnodig struikelen’. Zie voor deze voorzieningen de bijdrage van Ton Lamers in ‘Terecht of niet’ in ‘Examens’ 2017-4 met als titel ‘Persoonlijke omstandigheden en het BAS-besluit’. In ‘Examens’ 2017-1 met als titel ‘Binden afwijzend studieadvies, in één jaar erop of eronder’ sluit Ton Lamers af met: ‘Ik pleit voor een reële doorstroomnorm die ervoor zorgt dat de zwakke student van wie het niet te verwachten is dat deze de opleiding in de nominale tijd absolveert afstroomt en dat de student die het niveau goed aankan maar een ‘ongelukje’ heeft gehad in de gelegenheid wordt gesteld dat ongelukje te herstellen’. Onnodig struikelen moet niet gebeuren, dat wil niemand. Waar het om gaat is wat prof. dr. Janke Cohen-Schotanus kort en krachtig duidt als: ‘Nominaal is normaal’. Goed onderwijs is hierop nu al gericht. Het BSA beschermt de student en de maatschappij.
 

Kijk eens bij Erasmus, bijna alle opleidingen kennen daar een BSA van 60 studiepunten. Daar komen de doorzetters vandaan, en werkgevers willen juist die studenten hebben.