Nieuws

Terecht of niet?

Begeleiden en beoordelen, gaat het samen?

In het reguliere onderwijs komt het regelmatig voor: de begeleider van een schriftelijk werkstuk is tevens degene die er een cijfer voor geeft. Gaat dat wel samen? Onderstaande beroepszaak brengt de nodige haken en ogen aan het licht.

 

De zaak
Een student van de universiteit te M. heeft een ‘bachelor thesis’ geschreven. Hij krijgt daarvoor het cijfer ‘6’. Hij vindt dit te laag omdat hij gaandeweg het schrijven aan de thesis de verwachting kreeg dat het cijfer hoger zou uitvallen. Bij de start van de thesis vonden er gesprekken plaats tussen de student en de begeleider. Op basis van de gemaakte opmerkingen toog de student aan het werk en stuurde de tussenproducten regelmatig op naar de begeleider. De student kreeg de indruk dat hij goed bezig was. De uiteindelijke ‘6’ was een domper.
De betreffende docent had een ander verhaal. Bij de eerste begeleidingsgesprekken heeft de docent meteen gezegd dat hoe inhoudelijker de bijdrage van hem als begeleider zou zijn, hoe groter de negatieve invloed hiervan op het eindcijfer. De docent deed literatuursuggesties die door de student niet werden opgepikt. De student leverde vervolgens een concept in dat de docent van een zeer laag niveau vond. De docent besloot toen wekelijks een afspraak te maken met de student om meer sturend te kunnen gaan optreden. Vervolgens leverde de student de thesis definitief in. De docent raadpleegde een tweede beoordelaar en samen kwamen zij tot het oordeel de thesis met een ‘6’ te beoordelen. De docent kan niets fouts in zijn handelswijze ontdekken. Gezien het feit dat hij meerdere malen de kwaliteit van de thesis ter sprake heeft gebracht, de student bovenmatig en sturend heeft begeleid en het cijfer tot stand is gekomen in overleg met een tweede beoordelaar, is hij van mening dat hij een redelijk besluit heeft genomen.

 

De uitspraak
Het college van beroep handelt heel stereotiep in de uitspraak. Allereerst zegt het college dat het toetsen van kennis en kunde van een student uitsluitend een bevoegdheid is van de examinator die met het afleggen van het tentamen is belast. Dat is een standaardzin die in praktisch iedere uitspraak wordt opgenomen. Het college van beroep beoordeelt slechts marginaal of de examinator in redelijkheid en zonder in strijd te komen met enige geschreven rechtsregel een oordeel heeft uitgesproken. In de onderhavige zaak heeft de student niet kunnen aantonen dat de docent regels heeft overtreden. Daarmee verloor de student de beroepszaak.

 

Tot slot
De relatie tussen student en begeleider die tevens beoordelaar is, is ingewikkeld. Begeleiders geven aanwijzingen, zowel inhoudelijke als schrijf technische. Als die door de student worden opgevolgd rijst de vraag of het schriftelijk werkstuk dat de student inlevert nog wel oorspronkelijk van hem of haar is. Er zullen ongetwijfeld elementen in zitten die door de docent zijn aangedragen. Daarover doet een beoordelaar uitspraken. Daarom is het op het eerste gezicht zo gek nog niet dat een docent stelt dat wanneer zijn inbreng groot is geweest in het werkstuk, dit ten koste gaat van de hoogte van het cijfer.

Maar tegen deze redenering is wel wat in te brengen. Is het niet juist de taak van docenten studenten wat te leren? Was het beoordeelde werk een tentamen geweest dat met een ‘9’ is gewaardeerd, zal er dan iemand zijn opgestaan en hebben gezegd ‘ja, maar dat cijfer is zo hoog omdat het onderwijs van de docent zo goed was’. Integendeel, men zal zeggen dat studenten veel van het onderwijs hebben opgestoken en dit op een tentamen hebben laten zien. De studenten met hoge cijfers zouden worden geprezen, evenals de docent.

Vreemd dat het hier bij het begeleiden van een werkstuk juist andersom is. Hoe beter de docent heeft begeleid, des te lager het cijfer. Dit toont wederom aan dat het verenigen van de begeleidende en beoordelende rol problematisch is. Is er een oplossing? Men zou kunnen betogen dat de begeleider van een werkstuk een andere persoon moet zijn dan diegene die een cijfer geeft. Dat klinkt mooi, maar dat neemt het probleem niet weg dat het product dat wordt beoordeeld, waarschijnlijk deels van de begeleider vandaan komt. Een tweede mogelijke oplossing is het oordeel over een werkstuk te baseren op twee deelcijfers. Eén voor de inhoud en een ander voor het proces van tot stand komen. In het tweede deelcijfer zou dan de eigen inbreng van de begeleider kunnen worden verdisconteerd. Hoe die twee deelcijfers met elkaar moeten worden gewogen om tot een eindcijfer te komen, is aan de examencommissie om te bepalen. Maar in ieder geval is op die wijze de inbreng van de begeleider gekanaliseerd.

 

  • De heer dr. H.J.M. van Berkel is hoofdredacteur van EXAMENS en werkzaam aan de Universiteit Maastricht. E-mail: h.vanberkel@maastrichtuniversity.nl

Bron: Examens, tijdschrift voor de toetspraktijk augustus 2012