Nieuws

Vechten voor vernieuwing

Column door student Willeke van Essen-Tamboer van de Master Toetsdeskundige

Mijn vijfjarige dochter heeft de gewoonte om dagelijks zoveel mogelijk van haar speelgoed mee naar school te nemen. Inmiddels is voor haar duidelijk dat dit niet de bedoeling is. Toch probeert ze het iedere schooldag weer. Dan vinden we op school ineens een verdwaald playmobil-poppetje in haar jaszak of een knuffel in haar fietsmand. Die mogen dan met mij mee naar huis. Toen ze woensdagochtend op de trap stond met een knuffel-pinguïn die echt mee moest, was het tijd voor mijn corrigerende rol: “Nee, die pinguïn blijft thuis.” Dapper als ze is, begon ze met een uitgebreid pleidooi voor de noodzaak van de pinguïn in de klas.

 

Daar kan ik altijd met bewondering naar luisteren. De moed en het doorzettingsvermogen om iedere richtlijn aan te vechten, dat had ik goed kunnen gebruiken in mijn werk. Zo heb ik jarenlang als opleidingsmanager genoeg ideeën gehad voor het flexibiliseren van de opleidingen. Het is zo belangrijk om opleidingen flexibeler te maken, zodat we beter aansluiten bij de student. Voor het leren van een vak is het bijvoorbeeld niet noodzakelijk om altijd maar in het klaslokaal te zijn. We hebben inmiddels de beschikking over mooie ICT-oplossingen, waarmee we zicht kunnen houden op alle studenten. Ik had de middelen en de ideeën om de opleidingen flexibeler aan te bieden, maar één ding hield me tegen: de standaarden van de onderwijsinspectie. Als je het onderwijs flexibel maakt, kan de examinering niet achter blijven. Hoe krijg ik bijvoorbeeld de afnamecondities gelijkwaardig wanneer ik studenten individueel zou examineren? Kun je dan wel zeggen dat de afnamecondities gelijkwaardig zijn, wanneer dat voor de ene student in de beroepspraktijk gebeurt en de andere student op school getoetst wordt? Iedere vraag die ik mezelf stelde over deze standaarden, zorgde ervoor dat ik er niet mee aan de slag ging.

 

Ik denk dat dit vaker gebeurt. We proberen netjes te voldoen aan de regels van de inspectie. Dan kijken we niet alleen naar de regels, maar ook naar de uitwerking ervan. Want in een intervisiegroep zei een collega van een andere school dat dit niet meer mocht en die school heeft een onvoldoende gekregen omdat ze dat deden. Zo blijven innovatieplannen jarenlang in de kast en komen alle mooie ideeën zo weinig tot uitvoering.

 

Het is zo jammer. Onderwijs kan tegenwoordig veel persoonlijker en flexibeler zijn, maar dan moeten we het wel gaan uitwerken. Er is natuurlijk een kans dat de onderwijsinspectie de vernieuwing niet als verbetering ziet. Dan treden ze op in hun corrigerende rol en bezorg je jezelf en de school veel extra werk. Maar moeten we het niet een kans geven? Dat is toch precies waar de maatschappij op wacht en wat onze studenten ook verdienen?

 

We zouden allemaal een voorbeeld kunnen nemen aan mijn dochter. Het is haar gelukt. De pinguïn ging mee naar school. Bij de deur keek ik de juf al verontschuldigend aan, maar dat was niet nodig. “Wat heb je nu meegenomen”, vroeg ze. “Een pinguïn”, antwoordde mijn dochter, “dat begint met de letter puh.” “Dat klopt helemaal, wat goed van jou. Kom, dan hangen we hem in de letterboom.”

 

Ik zag de letterboom, waarboven een grote P hing. De pinguïn werd eraan gehangen. Mijn dochter was trots en ik was blij dat ik haar wat ruimte had gegeven die ochtend. Mijn oordeel over de pinguïn was onjuist.

 

Zoals iedere pinguïn heeft ons onderwijs ook een eigen verhaal en daarbij passende examinering nodig. Laten we moedig zijn, zodat we de ruimte kunnen krijgen die we nodig hebben.